MENSZIJN ALS WEGWIJZER

[10]

Het Rotterdam van eind jaren vijftig is de tijd waarin ik werd geboren. De wederopbouw van de verwoeste stad was in volle gang. Als ik denk aan mijn vroege jeugd dan hoor ik het eindeloze geluid van heipalen die de grond in worden geslagen. Een havenstad die verdeeld is in reeds bebouwde kom en lege zandvlaktes die wachten op herbestemming. Ons gezin woont midden in het centrum, in de schaduw van de Laurenskerk. Op woensdagen mocht ik een uur langer opblijven, omdat het Carillon van het Stadhuis tot negen uur bespeeld werd. Ook het geluid van voorbijrijdende treinen over het luchtspoor was een constante.

Zodra je een voet op straat zette moest je bepalen of de leeftijdsgenoten die je tegenkwam vriend of vijand waren. Het was de tijd dat onenigheid, meningsverschillen, een belediging of gepest worden, iedere dag werd uitgevochten met voeten en vuisten. Je stond altijd op scherp.

Als reclameschilder maakte mijn vader elke week de grote borden met film aankondigingen die boven de ingang van Bioscoop CINEAC op de Coolsingel hingen. Op woensdagmiddag ging mijn moeder de betaling ontvangen bij de directeur. Als ik daarbij aanwezig was mochten we via een zij-ingang de voorstelling bijwonen. Op een middag zag ik na het Polygoon Journaal een cowboyfilm. Het beeld van de revolverheld die een tegenstander bij zijn kraag pakt en hem vervolgens een kaakslag geeft, die de schurk ineen doet zakken, zou me bijblijven.

Diezelfde week werd ik op meerdere momenten van de schooldag gepest door medeleerlingen, die in de gevoelige jongen die ik was een gemakkelijke prooi zagen. De school ging uit rond vier uur en de grootste rotzak van het groepje pesters begon tegen me aan te duwen en me uit te schelden. Ik draaide me om, pakte hem bij zijn kraag en gaf hem de klap die ik de dag daarvoor gezien had. De jongen zakte ineen en moest met een ambulance naar het ziekenhuis. De schooldirectie had een gesprek met mijn ouders, maar het pesten was vanaf die dag voorbij.

Toen mijn vader opgroeide zag hij op een dag een reclameschilder aan het werk. Die verzorgde de belettering en de decoraties op een vrachtwagen. Mijn vader vroeg aan de man waar hij dit vak kon leren en binnen een week was hij aangenomen als leerling bij Atelier Leo Mineur. Daar heeft mijn vader het vak geleerd. In de avonduren studeerde hij op de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen.

Tussen de lokroep van de kunsten en het modernisme koos mijn vader voor vakmanschap. Jezelf kunnen onderhouden was een groot goed vanaf 1930, de tijd van de grote wereldwijde economische crisis. Bovendien stimuleert vakmanschap belangrijke kwaliteiten in een mens. Rust, aandacht, zorg en geduld. Als één van die eigenschappen ontbreekt kun je een werkstuk nog op het laatste moment verknoeien.

Ik heb mijn vader regelmatig aan het werk gezien. In zijn atelier of op locatie. Soms mocht ik meehelpen met het voorbereidende werk, later met het invullen van de onderdelen, ook toen ik al uit huis was. De geconcentreerde wijze waarop hij zijn werk deed, binnen iedere fase in het project, staat me levendig bij, tot op de dag van vandaag. In die werkwijze zat een ritme, een manier van ademen, een choreografie van stappen en bewegingen. Binnen dat betuigen van vakmanschap ervaarde je zijn liefde voor het metier. Een andere liefde was de natuur, die hij als helend ervaarde. Zijn landschaps schilderijen getuigen daarvan.

Naast bioscoop- en bedrijfsreclame, schilderde mijn vader ook voor het circus en de kermis. Als het werk gereed was mochten we gratis naar de voorstelling of het terrein op. Het gevoel van eigenwaarde dat mijn vader aan zijn vak ontleende was onaantastbaar. De dag voor hij stierf vertrouwde hij me toe dat zijn levensgeluk altijd had gelegen in het feit dat hij zelfstandig zijn brood had kunnen verdienen. Meer ambities kende hij niet. Een goede vakman zijn en een goed mens was voldoende.

Op zijn begrafenis kwamen niet alleen oude collega’s, maar ook diverse oude vrienden van mij. Sommige kenden hem nog uit onze middelbare schooltijd. Ook alle zussen van mijn moeder waren aanwezig, die mochten hem graag. En zijn eigen familie, voor zover die nog leefde, waaronder mijn oudste nicht. De herinneringen van mijn vrienden aan mijn vader maakten wel duidelijk hoezeer zij bewondering hadden voor het vrijzinnige karakter van mijn vader. Voor muziek, kunst en literatuur had hij heel zijn leven belangstelling. Ook wat de jongere generatie bezighield kon hem boeien. Dat was bij andere vaders niet altijd het geval.

Als ik kijk naar hoeveel ik zelf heb gedaan in mijn leven, waar niemand weet van heeft, dan zie ik daar een overeenkomst met mijn vader. Het was een bescheiden man die wist wat hij waard was. Natuurlijk heb je als zoon later in je leven wel eens kritiek op je vader. Van zijn zwakkere kanten was hij zich weldegelijk bewust. De doortastende eigenschappen van mijn moeder, op zakelijk en relationeel gebied, schatte hij hoog in. Hij was blij dat ik in mijn leven blijk gaf ook die vaardigheden in me te dragen. Inmiddels begreep ik wel dat een man juist het voorbeeld van zijn vader nodig heeft om zijn eigen identiteit te kunnen omarmen.

Mijn gevoel voor rechtvaardigheid heb ik niet van een vreemde. Ook mijn vader was allergisch voor iedere vorm van machtsmisbruik. Aan de willekeur en de arrogantie van instituties en overheden had hij onverhuld een hekel. Toch was hij een van de weinigen van zijn generatie die, als het over de oorlog ging, het woord vergeving in de mond nam. Hij begreep maar al te goed hoe de meeste mensen, op het schaakbord van de geschiedenis, niet meer dan pionnen zijn.

Eind zeventiger jaren moest ik tijdens mijn reis door Amerika en Canada op een busstation van een grote stad wachten op mijn volgende aansluiting. Een oudere man van Indiaanse afkomst kwam op me af en vroeg me of ik misschien geld voor hem had. Hij had, naar eigen zeggen, al een week niet te eten met zijn gezin. Een man en een vrouw naast me op de bank sisten dat ik niets moest geven, omdat ze daar toch maar sterke drank voor kopen. Instinctief voelde ik aan dat het anders lag. Spontaan gaf ik de Indiaan honderd dollar, met de groeten van mijn vader. Die had ik ook wel eens dit gebaar zien maken. Eenmaal in de bus en wachtend op het vertrek kwamen opeens de Indiaanse man, zijn vrouw en twee kinderen langszij, hij wees op mij en ze zwaaiden. Ook dat is het erfgoed van mijn vader. Altijd luisteren naar wat je hart zegt.


1. DE WORTELS VAN HET KWAAD | 2. FAMILIAIRE FEITEN EN FICTIE | 3. DE OORSPRONG VAN ALLES | 4. IN HET HUIS VAN DE DRAAK | 5. ALLES IS IN BEWEGING | 6. DE LEGE SPIEGEL SPREEKT | 7. GESCHIEDENIS ALS LEGENDE | 8. STAMBOMEN ALS LEGPUZZELS | 9. DE MENSELIJKE BESCHAVING | 10. MENSZIJN ALS WEGWIJZER | 11. DE VERRADERLIJKE VERHALEN | 12. ENGLISH VERSION | DE AUTEUR |